De witte beer, zo wankel ogenschijnlijk,
wantrouw behaarde stilte van zijn vacht.
bedaard in zijn beweging is zijn kracht
waarlijk toch meer dan onwaarschijnlijk.
Hij vangt graag vis, bij voorkeur kabeljauw
en zeehond heeft hij ook vaak omgebracht
evenzogoed heeft hij wel mannen afgeslacht
en neemt hij graag een hapje malse vrouw.
Op ijzig land en in het koude water
wordt zijn snelheid niet geėvenaard.
hij hongert weer,
de witte beer,
nee, voor zijn prooi bestaat er
geen kans meer dat het leven wordt gespaard.
Dus, als ik weer eens ijsbeer, ja dan gaat er
een rilling van uw nek tot aan uw staart.
 |